Brad Pitt heeft er bijna veertig jaar over gedaan om lijden er goed uit te laten zien, dus het is bijna een verademing om hem er eens echt ellendig uit te laten zien. Heart of the Beast (2026) is een norse, goed gemaakte en schaamteloos sentimenteel overlevingsdrama. Het soort film dat precies weet welke knoppen het moet indrukken, en dat ook gewoon doet. Het is geen meesterwerk, en het doet ook geen moeite om dat te veinzen. Maar David Ayer, een regisseur die we vooral kennen van agenten, bendes en Jason Statham die in The Beekeeper (2024) schurken bij de vleet uitschakelt, levert hier iets warmer af dan zijn reputatie doet vermoeden. En die warmte loopt op vier poten.
Korte inhoud James Belmont (Brad Pitt) is een veteraan van de Special Forces met dertig jaar dienst achter de rug. Hij vliegt de Alaskaanse wildernis in met Odin, zijn eveneens gepensioneerde gevechtshond, voor een kampeertocht om zijn hoofd leeg te maken. Na een vriendschappelijk biertje met een medekampeerder (J.K. Simmons) loopt het mis: een hartaanval in de lucht stuurt het lichte vliegtuigje een ijskoud meer in te midden van een woud. Mens en hond belanden op zo’n 93 kilometer van de bewoonde wereld, met wolven, kolkende rivieren, guur weer en een gehavend lichaam beginnen ze een moeizame overlevingstocht. Ze hebben enkel elkaar, een groeiende collectie verwondingen en nachtmerries over een oorlog die geen van beiden echt achter zich heeft gelaten.
Hoe herken je een echte filmster? Wel hij of zij is in staat een film te dragen. Vers uit een Formule 1-blockbuster ruilt hij brullende motoren in voor wind en zwaar hijgen, en dat doet hij zonder ook maar een zweem van ijdelheid. Acteren is grotendeels reageren, en gedurende bijna de volledige speelduur heeft hij enkel een hond en zijn eigen pijn als repliek. Op zijn 62ste laat hij de filmsterren glans in de aanhangwagen achter; elke val zie je eerst op zijn gezicht voordat je hem ziet manken. Ayer beweert dat de intensiteit zo hoog was dat ze weinig dubbele-takes hadden genomen. En de vermoeidheid op het scherm ondersteunt dat. De slimste keuze van Brad is zijn terughoudendheid. Hij speelt James als een man die allang gestopt is met het bepraten van zijn eigen lijden, iemand die een wond verbindt zoals hij een tent zou opvouwen. Het scenario van Cameron Alexander, een favoriet op de Black List, geeft hem weinig meer dan rouw en blauwe plekken, en Pitt vult de gaten in met stilte. Simmons duikt even op voor een Belgisch biertje (ja, onze nationale trots wordt even aangewakkerd met een blauwe Chimay) en een flard van een achtergrondverhaal, om daarna te verdwijnen als ‘Pietje de Dood’ op een skiff met lantaarn op een mistig meer in de vroege ochtend. Kwam hij een laatste groet brengen aan James? Ik laat dat in het midden. Simmons brengt echter in die vijf minuten meer menselijke warmte in de scène dan de meeste flashbacks bij elkaar weten te bereiken.
Ook Ayer verrast. Hij bediende de camera zelf en je voelt die nabijheid: strakke kaders, weinig dialoog, nauwelijks een geweer in zicht. Dit is dezelfde man die eerder met Pitt samenwerkte aan Fury (2014), een oorlogsfilm vol tanks, lawaai en ensemblegeruzie, en hier schraapt hij alles terug tot twee lichamen in een afgelegen gebied. Hij weet ook precies welke troefkaarten hij in handen heeft. Ayer behandelt de hond als een volwaardige co-hoofdrolspeler in plaats van een knuffelbaar rekwisiet, en hij geeft toe dat Pitt zichzelf als de bijrolspeler zag. Zijn zwakte is dat hij er nooit op vertrouwt dat een emotie uit zichzelf aankomt. De camera hangt een tel te lang, de pianomuziek zwelt op het juiste moment aan en een flashback duikt precies op wanneer je hem verwacht. Iets meer terughoudendheid had misschien nog beter kunnen werken, dan nu het geval was.
Dan is er Uber, de ware ster van de film en, passend genoeg, als eerste vermeld op de callsheet. In het echte leven is hij een Nieuw-Zeelandse bergreddingshond, geen oorlogsveteraan; de prothese, de metalen tanden en het litteken over zijn snuit behoren toe aan Odin, het personage. Dat had een gimmick kunnen zijn. Het werkt omdat Uber acteert met zijn ogen. Wanneer een wolf of een beer opduikt, kijkt hij niet enkel bang; hij kijkt als een wezen dat dit al eerder heeft meegemaakt en er nooit vrede mee heeft gesloten. Ayer had twaalf weken om de honden te trainen in plaats van de gebruikelijke twintig, en Uber deelde het stuntwerk met zijn drie zonen. Beeldmonteur Dody Dorn weeft die vertolkingen aan elkaar tot één doorlopende, overtuigende aanwezigheid.
Het landschap verdient eveneens zijn plek in de aftiteling. Mauro Fiore, die Training Day (2001) draaide naar een scenario van Ayer, laat het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland zonder moeite door gaan voor Alaska. Ayer filmde op gletsjers waar, naar eigen zeggen, nog nooit iemand een camera had opgesteld. Je voelt het: de wereld is uitgestrekt, de mens is klein en de hond is nog kleiner. De sounddesign doet evenveel als de beelden. Wind, water, knetterend vuur en verre gehuil van wolven werken vaak beter dan de pianoscore van Jared Michael Fry, die bij momenten meer weg had van hotellift-muzak. De verwondingen doen op de juiste manier pijn, oprecht en simpel in scène gezet; takken doorboren vlees, stenen breken botten. De wolven en de beer vormen een ander verhaal. Ze zien eruit als 3D creaties die uit een videogame kwamen, en naast een echte hijgende Uber is dat contrast onvriendelijk.
Waar de film struikelt, is het scenario. Het script van Alexander slingert van crisis naar crisis: rivier, wolf, wond, gletsjer, beer, breuk. De 101 minuten vliegen voorbij, toch zou je moeite hebben om één enkele bedreiging te noemen die je niet in tien andere overlevingsfilms zag. Naast Cast Away (2000) of All Is Lost (2013) voelt het lichtvoetig aan. Die films lieten een man veranderen of wegglijden; hier beweegt de bestemming nooit en is de reis grotendeels uitstel. Het speelt minder als een overlevingsfilm dan als een vriendschapsfilm in slecht weer. De oorlogsflashbacks, gedrenkt in rode tinten, proberen het trauma tastbaar te maken, maar verliezen hun angel door herhaling. Het interessantste idee, dat een hond de psychologische schade van oorlog ook draagt, krijgt nauwelijks de uitwerking dat het verdient.
Er is nog één probleem, en dat zit in de openingssequentie. Ik zal niet zeggen wat we zien, maar ik geef je wel praktisch advies: kom tien minuten te laat. Je mist hooguit wat landschappen en je bespaart jezelf een film die zijn eigen spanning binnen de eerste minuten ondermijnt. Als je de details wilt, lees dan verder; als je van plan bent de film te zien, spring dan door naar de laatste alinea.
[SPOILER – lees enkel als je de film hebt gezien of het je niet uitmaakt: de film opent met een jonge vrouw (Anna Lambe) die over een verlaten weg rijdt. Ze stopt omdat er een hond in het midden van de weg staat. Die hond is Odin. Dan springt het verhaal een week terug. Vanaf de eerste minuut weet je dat Odin het haalt, en omdat hij daar alleen staat, kleurt dat beeld alles wat volgt. De vraag is niet langer of hij overleeft, maar hoe hij daar terechtkwam en in welke staat zijn baasje eindigt. De film besteedt dan negentig minuten aan het opbouwen van spanning rond een antwoord dat hij je al heeft getoond. EINDE SPOILER]
Kortom, goed, niet geweldig. Heart of the Beast kan je niet verrassen, houdt zich aan het afgebakende pad van het genre, maar raakt je toch. De eer gaat naar een 62-jarige ster die de wildernis hem laat afschuren, naar een hond die menig menselijke co-ster overvleugelt, en naar een regisseur die eindelijk toegeeft dat zijn hart even groot is als zijn vuisten. De trucjes zijn oud, het script is dun en de flashbacks te talrijk, toch zijn de emoties echt en de landschappen subliem. Neem zakdoeken mee, want de slotscène laat weinig ogen droog. Het is een voorspelbare film met de beste co-ster van het jaar, en dat is reden genoeg om een ticket te boeken. De film is vanaf 23 september 2026 te zien in de bioscoop.
Review The Heart of the Beast (2026)
Recensie door Dave op 23 september 2026

Ik wil die hond zien met titanium tanden 🙂
Soijtig dat honden geen Oscar kunnen krijgen
Ziet er slaapverwekkend uit. Beste overlevingsfilm is Alive and ver op de tweede plaats misschien The Grey.
Brad Pitt is niet meer weg te branden van het witte doek. Ben benieuwd naar zijn Cliff Booth spin-off film.