Het was duidelijk dat met The Living Daylights (1987) de makers iets anders wilden. Na het voor velen teleurstellende afscheid van Roger Moore in A View to a Kill (1985), waarbij een vermoeide zestiger het universum van Ian Fleming definitief dreigde te begraven onder een laag zelfspot, was er nood aan iets scherpers. Iets meer echt. En wat kregen we? Een Welshman met tandenknarsende kaken, een Tsjechische celliste, en een script dat vol vertrouwen de Koude Oorlog binnenstapt zonder te knipogen naar de camera. Dat is meer dan de franchise op dat moment verdiende.
Korte inhoud: Na een gewaagde overloopoperatie waarbij de Russische generaal Georgi Koskov (Jeroen Krabbé) via een gaspijpleiding uit Tsjecho-Slowakije wordt gesmokkeld, beweert de overloper dat de nieuwe KGB-baas Leonid Pushkin (John Rhys-Davies) het oude “Smiert Spionam”-programma – letterlijk: “Dood aan Spionnen” – nieuw leven wil inblazen. Bond (Timothy Dalton) krijgt de opdracht Pushkin te elimineren, maar twijfels over Koskov’s eerlijkheid brengen hem al snel bij Kara Milovy (Maryam d’Abo), de celliste en geliefde van de generaal. Een geopolitiek kluwen van wapenhandel, opiumtrafiek en interne KGB-machtsstrijd leidt Bond en Kara via Wenen en Tanger uiteindelijk naar Afghanistan, waar de Moedjahedien-vrijheidsstrijders onverwachte bondgenoten blijken.
Timothy Dalton was al sinds de late jaren zestig in beeld voor de rol – hij weigerde On Her Majesty’s Secret Service (1969) omdat hij zichzelf met zijn vierentwintig jaar te jong vond om Sean Connery op te volgen – maar zijn Bond is geen man die lang heeft gewacht om zijn kans te grijpen. Hij bijt zich vast in de rol alsof hij weet dat de teller al loopt. Dalton studeerde klassiek toneel en het is er soms aan te zien: hij geeft Bonds droge grappen niet de luchtigheid van Moore maar de nerveuze afkeer van iemand die liever meteen tot actie overgaat. Dat leidt hier en daar tot een lichtjes gespannen energie op het scherm. Maar precies die spanning maakt hem interessant. Zijn Bond doodt niet met een glimlach maar met een samengeknepen kaak – en dat voelt, na jaren Moore-parodie, als een opluchting.
Dat de echte eerste keuze Pierce Brosnan was, die op het allerlaatste moment moest afhaken omdat NBC besloot toch nog een vijfde seizoen van Remington Steele te bestellen, is inmiddels franchise-legende. Producent Albert R. Broccoli zou NBC laconiek hebben laten weten dat “James Bond geen Remington Steele zal zijn, en Remington Steele geen James Bond.” De uitkomst, hoewel via een kronkelweg bereikt, was uiteindelijk de juiste: Dalton gaf de franchise terug wat ze in de Moore-jaren was verloren, namelijk een greintje gevaar. Connery zelf zou later lovende woorden over zijn opvolger uitspreken – en dat is geen compliment dat hij lichtzinnig rondstrooide.
Regisseur John Glen – die voor de vijfde achtereenvolgende keer de reeks regisseerde en daarmee een record bezit dat niemand lijkt te willen verbreken – levert precies wat je van hem mag verwachten: een stevig geconstrueerde film met knap gestileerde actiescènes, efficiënt gemonteerd en nooit slordig in zijn visuele vertelling. De beroemde intro op de Rots van Gibraltar, waarbij Bond een infiltrant de lucht in blaast in een vliegende jeep, is een klassieker van zijn schaalgrootte. En de set-piece waarbij Dalton en stuntman Andreas Wisniewski – die de angstaanjagende Necros speelt, wiens wapen een Walkman met ijzerdraad is – letterlijk uit de staart van een militair vliegtuig hangen terwijl ze elkaar het hoofd inslaan, had in elke andere film de climax gevormd. Hier is het bijna een tussenstop. Glen was geen visionaire filmmaker, maar hij was een zéér bekwame vakman. En soms is dat precies genoeg.
Wat de film echt onderscheidt van de meeste andere Bond-titels is de toon van de centrale relatie. Maryam d’Abo als Kara Milovy is niet de typische Bond-versiering met een dubbelzinnige naam – zij is een vrouw die door iedereen gebruikt wordt, Bond incluis, en die desondanks haar eigen morele kompas behoudt. D’Abo speelt haar met een bescheiden charme die oprecht aanvoelt, al gaat ze in de Afghaanse sequentie grotendeels in de plooien van het verhaal op. Maar het is de evolutie van de relatie die blijft hangen: Bond die haar meeneemt op een reuzenrad in Wenen – hetzelfde reuzenrad uit The Third Man (1949), een detail dat men bewust koos – voelt oprechter aan dan zijn gebruikelijke veroveringen. Het is de enige Bond-film waarbij je je afvraagt of het niet gewoon goed zou zijn mochten deze twee samen oud worden. Dat gevoel miste in de meeste van zijn voorgangers compleet.
De schurken zijn de zwakste schakel. Jeroen Krabbé speelt Koskov als een glibberige opportunist – wat de bedoeling is, en hij doet het goed – maar Joe Don Baker als wapenhandelaar Brad Whitaker is eerder een karikatuur dan een dreiging. Zijn persoonlijke oorlogsmuseum, bevolkt door bustes van hemzelf verkleed als Alexander de Grote, Attila de Hun en Napoleon Bonaparte, geeft de film een kortstondige, donkere humor maar doet ook afbreuk aan het ernstige register dat Dalton opbouwt. Het is alsof twee verschillende filmtonen tegelijkertijd beweren de hoofdverpakking te zijn.


© United Artists / Eon Productions
De muziek verdient een aparte vermelding, al is die vermelding niet onverdeeld positief. Dit was de laatste Bond-score van John Barry, die de reeks begeleidde vanaf Dr. No (1962). Hier klinkt zijn score op sommige momenten als iemand die zijn eigen stijl herhaalt zonder er nog helemaal met het hart bij te zijn. De samenwerking met A-ha voor het titelnnummer verliep notoir moeizaam – de band en Barry konden het niet eens worden over de uiteindelijke mix, wat resulteerde in twee officieuze versies – maar het resultaat is, na al die jaren, een nummer dat precies goed verouderd is: gedateerd genoeg om nostalgisch te worden, sterk genoeg om te blijven hangen. The Pretenders verzorgden bovendien “If There Was a Man” voor de aftiteling, een primeur voor de franchise.
De derde akte in Afghanistan sleept iets te lang, dat is de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Eens het plot van Koskov en Whitaker ontward is, zoekt de film een uur lang naar een afsluiting die hij eigenlijk al gevonden had. En toch: vergeleken met de karikaturale aanpak van Rambo III (1988) – uitgebracht een jaar later, met zijn heiligverklarende portret van de Moedjahedien – handelt The Living Daylights de geopolitieke context met een onverwachte terughoudendheid. Niemand wordt hier als vanzelfsprekend held opgevoerd. Dat is, voor een blockbuster uit 1987, zowel opvallend als verfrissend.
The Living Daylights is geen perfecte Bond-film, maar het is misschien wel de meest miskende. Dalton bleef slechts twee films – zijn tweede, Licence to Kill (1989), werd nog grimmiger en het publiek haakte af. De franchise koos daarna voor de vlotte charme van Brosnan, en de rest is geschiedenis. Maar wie terugkijkt op wat Dalton hier behaalde – een Bond met geweten, met twijfel, met iets wat op echte genegenheid lijkt – beseft dat Casino Royale (2006) en Daniel Craig niet uit het niets kwamen. Ze hadden een voorganger. Hij heette Timothy Dalton, en hij was te vroeg voor zijn eigen tijd. De film kwam uit op 15 september 2015 op 4k UHD.
Review The Living Daylights (1987)
Recensie door Dave op 17 juli 2026

Weinig memorabele Bond
Mét onze Hollandse trots Jeroen Krabbé
Een uitstekende Bond-acteur, veel beter dan Lazenby en Brosnan
Wel bizar dat hij maar twee films mocht maken, want ik vond hem zeer goed als Bond.