Leviticus (2026) is nog een indrukwekkend regiedebuut ook al was het een gigantische flop vergeleken met Backrooms (2026) en Obsession (2026). De film heeft een kleine 4 miljoen dollar gekost maar nauwelijks 10 miljoen opgebracht. Maar ja, het onderwerp is niet iets wat je in een paar woorden kan overbrengen. Maar de flop is vooral het gevolg van een vrijwel onbestaande marketing. Het is één ding knappe posters te maken, het is een ander ding om deze posters ook de nodige visibiliteit te geven.
Adrian Chiarella bedacht voor Leviticus een demon die er precies uitziet als degene op wie je verliefd bent, en laat die vervolgens los op twee tienerjongens in een uitgestorven Australisch gat waar de kerk nog altijd de plak zwaait. Het is een idee zo bot dat het bijna lachwekkend zou kunnen zijn, maar Chiarella weet exact hoe je iets belachelijks ernstig speelt zonder dat het zichzelf serieus begint te nemen. Dat is een evenwicht waar veel ervaren regisseurs al over struikelen, laat staan een debutant.
Korte inhoud Naim (Joe Bird) verhuist met zijn moeder Arlene (Mia Wasikowska) naar een troosteloos industrieplaatsje, waar hij verliefd wordt op de brutere, blondere Ryan (Stacy Clausen). Hun aftastende, onhandige romance krijgt een bloedstollende twist wanneer een jaloerse opwelling van Naim ervoor zorgt dat de gemeenschap lucht krijgt van de jongens hun geaardheid. Een zogenaamde “deliverance healer” (Nicholas Hope) voert een bezweringsritueel uit, in feite conversietherapie met een religieus sausje, en ontketent daarmee onbedoeld een entiteit die zich voordoet als het object van ieders begeerte. Wie alleen is, wordt aangevallen door zijn eigen verlangen in monsterlijke vorm. Naim en Ryan moeten uitzoeken of ze elkaar nog kunnen vertrouwen, terwijl ze eigenlijk vooral moeten uitzoeken of ze de volwassenen om hen heen ooit hebben kunnen vertrouwen.
Wat Leviticus onderscheidt van de stroom aan indie-horror die dit jaar al voorbijkwam, is hoe precies de dreiging is gelokaliseerd. Niet bij de jongens, niet bij hun verlangen, maar bij wat de gemeenschap daarmee doet. Chiarella laat het monster geboren worden uit het ritueel zelf, wat betekent dat de kerk hier niet symbolisch schuldig is, maar letterlijk de architect van de horror. Dat is een slimmere zet dan het op het eerste gezicht lijkt: in plaats van de geaardheid van zijn personages te pathologiseren, pathologiseert hij de reactie erop. Vergelijk het gerust met It Follows (2014), maar bij David Robert Mitchell was de vloek iets dat je opliep door intimiteit zelf. Hier is de vloek iets dat je wordt aangedaan door mensen die denken dat ze je redden. Dat verschil is niet subtiel, en dat hoeft ook niet.
De regie van Chiarella is verrassend gedisciplineerd voor een debuut. Hij vermijdt de gemakkelijke jumpscare-reflex en bouwt spanning liever op via geluid: een zoemende hoogspanningsleiding, een stilte die net te lang duurt, ademhaling die niet helemaal normaal klinkt. Wanneer het geweld wel komt, komt het hard en abrupt, en dat contrast werkt beter dan constante escalatie ooit zou kunnen. Tegelijk verliest het script tegen het einde wat van zijn scherpte. De regels van de entiteit, wanneer ze aanvalt, hoe ze zich voedt met nabijheid, worden ergens halverwege uitgelegd en daarna grotendeels herhaald in plaats van uitgediept. Er zit een moment waarop een personage zegt dat het wezen wil dat ze bang zijn van elkaar, en die zin wordt vervolgens nog een paar keer variaties op zichzelf herhaald, alsof de film bang is dat je het gemist hebt. Je had het niet gemist.
Wat die scenario-onvolkomenheden goedmaakt, zijn de twee hoofdrolspelers. Joe Bird, die al opviel in Talk to Me, speelt Naim met een soort nerveuze oprechtheid die nooit overdreven aanvoelt: je gelooft dat deze jongen voor het eerst in zijn leven iets voelt dat groter is dan hijzelf, en dat hij daar doodsbang van is, in de goede en de slechte zin. Stacy Clausen krijgt de moeilijkere opdracht, want hij moet zowel de charmante, onbezorgde Ryan spelen als de gemuteerde versie ervan die achter Naim aan zit, en het is knap hoezeer die twee gedaantes elkaar nooit overlappen. Mia Wasikowska, in een kleinere maar cruciale rol als de moeder, doet iets dat weinig acteurs voor elkaar krijgen: ze maakt liefde en verraad in dezelfde blik zichtbaar, zonder ooit een cartoonversie van religieus fanatisme neer te zetten. Dat is precies waarom haar personage zo verontrustend is. Ze denkt echt dat ze haar zoon redt.
De cinematografie verdient ook een pluim, al zal niemand er prijzen voor uitreiken. De kleurpalet is verzadigd van stof en industrie, met een zon die eerder dreigt dan verwarmt, en dat maakt de enkele momenten van intimiteit tussen Naim en Ryan des te opvallender: even lijkt de wereld zachter, tot de volgende scène je eraan herinnert dat die zachtheid levensgevaarlijk is. Er zit een scène op een bus die knapper is opgebouwd dan het gros van de horror die dit jaar de bioscoop haalde, precies omdat de film je dwingt te twijfelen aan wat je ziet zonder ooit vals te spelen met de regels die hij zelf heeft opgesteld. Nu ja, bijna nooit; op een paar momenten buigt Chiarella zijn eigen logica net iets te veel naar wat het verhaal op dat moment nodig heeft, en een geoefend kijker zal dat opmerken.
Leviticus is geen perfecte film. Het derde bedrijf herhaalt zichzelf, en de kosmologie rond het monster verdiende een strengere revisie. Maar het is wel een film met lef, met een idee dat blijft hangen lang nadat de aftiteling gestart is, en met twee jonge acteurs die iets echt en broos neerzetten temidden van alle bloed en symboliek. Het is zelden dat een horrorfilm zowel je pols laat versnellen als je hart breekt, en Chiarella doet allebei zonder ooit het een voor het ander in te ruilen. Wie denkt dat queer horror alleen maar over lijden kan gaan, moet dit gaan zien: hier wint de liefde, en dat is nog het engste van alles. Ik heb de film kunnen zien in Griekenland tijden mijn vakantie, de film komt bij ons pas uit op 2 september 2026. Geen idee waarom het bij ons zo lang hoeft te duren.
Review Leviticus (2026)
Recensie door Natalie op 5 februari 2022

Iedereen vergelijkt het met It Follows en ja, dat klopt wel een beetje, maar voor mij was Leviticus toch meer een liefdesverhaal met een tikkeltje horror erbij.
Die scène waar de moeder zegt dat angst hem zou “beschermen”, awel, dat sneed echt door merg en been. Zulke ouders bestaan spijtig genoeg echt.
Technisch wel knap in mekaar gestoken, schone sfeer, goeie cast. Maar als horrorfilm vond ik het toch te traag en niet eng genoeg, eerlijk gezegd.
Da entiteit-gegeven vond ik wel interessant maar niet altijd consequent. Soms werkt die “ge moogt niet alleen zijn”-regel, en dan ineens weer niet. Dat haalde toch wat spanning weg voor mij.
Spijtig dat mensen zeggen da’t een slechte horrorfilm is. ’t Is gewoon een ander soort horror – psychologisch, gebaseerd op afwijzing en schaamte. Dat vind ik nog veel enger dan een simpele jumpscare…
Korte film (rond de 80 minuten) en da werkte eigenlijk in z’n voordeel. Geen onnodige lengte, recht op z’n doel af, zoals het hoort.
Vergeleken met Obsession en Backrooms vond ik Leviticus het minst eng van de drie, maar emotioneel gezien wel het sterkste.
Die laatste busscène met dat nummer op de achtergrond – ik was er kapot van. Niet elke film weet u zo te raken. Het idee dat conversietherapie letterlijk een monster oproept, is eigelijk zo’n straf concept voor een horrorfilm. Had graag gezien dat ze dat nog verder hadden uitgewerkt.