Moonraker (1979) is van dezelfde regisseur van The Spy Who Loved Me (1977), en toch is er een wereld van verschil tussen deze twee films. Wat begint als een solide, zij het opgeblazen spionnenfilm, ontspoort geleidelijk tot een ruimteoperette waarbij de producenten duidelijk meer geïnspireerd waren door de kassa van Star Wars dan door enige dramatische logica. Het resultaat is een film die je met gemengde gevoelens achterlaat: bewondering voor de production design (zoals we gewoon zijn van deze franchise), ergernis over de verspilde kansen, en bizarre shots van duiven op het San Marcoplein in Venetië.
Korte inhoud: Wanneer een Amerikaanse spaceshuttle met de codenaam Moonraker in volle vlucht wordt gekaapt, stuurt de Britse geheime dienst James Bond (Roger Moore) op onderzoek. Al snel stoot hij op Hugo Drax (Michael Lonsdale), de excentrieke miljardair die de shuttle heeft gebouwd en er heel andere plannen mee heeft dan de NASA. Terwijl Bond de wereld doorkruist van Californië over Venetië en Rio de Janeiro naar het Amazonegebied, onthult zich een megalomaan plan: de mensheid uitroeien met een zenuwgas en de aarde herbevolken vanuit een geheime ruimtestation met een speciaal gekozen meester-ras van “perfecte jonge mensen”. De CIA-agente Dr. Holly Goodhead (Lois Chiles) vergezelt hem daarbij, en schurk Jaws (Richard Kiel) keert terug – zij het in een aanzienlijk minder bedreigende gedaante dan voorheen.
Dat regisseur Lewis Gilbert hier struikelt over hetzelfde soort is veelbetekenend en wijst er nog maar eens op dat een film een werk is van meerdere talenten. De openingsscène is ronduit magistraal: Bond valt zonder parachute uit een vliegtuig en moet er eentje veroveren op een vallende piloot, terwijl Jaws zijn benen wil afbijten. De sequentie werd opgenomen met helmcamera’s tijdens 88 echte vrijval-sprongen over vijf weken – een stunt die in het CGI-tijdperk ondenkbaar zou zijn geworden. Gilbert weet hier de spanning perfect te doseren, en voor een korte, hoopvolle moment lijkt Moonraker zijn voorganger te willen evenaren. Die hoop sterft snel. En toch zijn de eerste 40 minuten van Moonraker echt wel solide. Er zit zelfs een ijzingwekkende scene in met een druktoestel waar Bond hevige Mach waarden moet zien te overleven. Moore was begin vijftig, had er nog drie films voor de boeg, en het begon hier wel voelbaar te worden.
Want dan komt die gondel. Die door Venetië tufft, het water verlaat, en op wielen over het Piazza San Marco dendert terwijl omstanders geschokt toekijken – inclusief een duif die een letterlijke double take doet. Het is het soort gag die in een B-komediefilm zijn plek zou kennen. Dit is tevens het kantelmoment waarop de film zijn geloofwaardigheid achteloos weggooit. Gilbert kiest van dan af consequent voor spektakel boven substantie en flauwe humor en het scenario van Christopher Wood biedt hem weinig weerstand. De structuur – Bond reist van A naar B, overleeft aanslag, reist naar C, overleeft nieuwe aanslag – herhaalt zich zo mechanisch dat je na het derde attentaat de tel kwijtraakt en je begint af te vragen of er eigenlijk nog wel een verhaal is.
Roger Moore is op dit punt, zijn vierde Bond-film, een man die de bewegingen kent maar de muziek niet meer helemaal voelt. Zijn knipooghumor, in The Spy Who Loved Me nog charmant gekalibreerd, slaat hier door naar mechanisch flauwekul. Tegenover hem staat Lois Chiles als Dr. Holly Goodhead – een naam die even memorabel als ongelukkig is, en die haar karakter meteen reduceerde tot een grap lang voor ze ook maar één woord gesproken had. Chiles werd voor de rol gecast nadat ze toevallig naast regisseur Gilbert in een vliegtuig zat, wat op zichzelf al iets zegt over de zorgvuldigheid van het casting-proces. Ze speelt haar rol met een koele, formele distantie die je aanvankelijk kan interpreteren als beheerste competentie, maar die te lang aanhoudt om als acteerberekening door te gaan. De chemie met Moore is nagenoeg onbestaand – ze deelt meer warmte met de instrumentenpanelen van het ruimteschip dan met haar medespeler.
Michael Lonsdale als Hugo Drax was een goede cast. De Frans-Britse acteur – die voor de rol werd gecast als onderdeel van een Anglo-Frans co-productiepact om Engelse belastingwetgeving te omzeilen, een detail dat grappiger is dan de meeste grappen in de film – speelt zijn schurk met een droge, aristocratische kilheid die ronduit fascinerend is. Zijn Drax serveert doodsdreigementen met dezelfde onverschilligheid als komkommersandwiches, en zinnen als “Look after Mr. Bond. See that some harm comes to him” klinken in zijn mond als beschaafde conversatie. Het is een performance die een betere film verdiende. Maar toegegeven, zijn vertolking deed me denken aan Stromberg uit de vorige film.


© United Artists
Richard Kiel keert terug als Jaws, de staalbektige reus die in The Spy Who Loved Me nog iets onheilspellends had – een bijna mythische onoverwinnelijkheid die hem tot één van de meest iconische handlangers in de franchisegeschiedenis maakte. Hier wordt Jaws gereduceerd tot comic relief. Hij wordt verliefd op een kleine brillante dame met staartjes en schakelt aan het einde braaf over naar Bond’s kamp nadat hij beseft dat hij niet voldoet aan Drax’ genetische standaarden. Ik bedoel, de absurditeit van die scenes zijn hallucinant. Het was een bewuste keuze van de filmmakers, ingegeven door fanmail van kinderen die smeekten om Jaws als “goodie” – wat op zichzelf een ontroerend gegeven is, maar als verhaallogica rampzalig uitpakt. De hondsbrutale moordenaar van weleer is hier een zielig stuk speelgoed dat zijn tanden verloor lang voor hij de grond raakte.
En dan is er de finale, in de ruimte, met laserpistolen en astronauten in gele pakken die door een draaischijf-ruimtestation zweven. Derek Meddings werd terecht genomineerd voor een Oscar voor de visuele effecten, en de sets van Ken Adam – gebouwd over meer dan 222.000 arbeidsuren in de grootste studio die ooit in Frankrijk werd opgetrokken – zijn indrukwekkend van schaal. De ruimtegevechtssequentie oogt spektaculair en volledig misplaatst tegelijk: alsof men halverwege een Bondfilm besloot de rest te spenderen in een ander genre. John Barry’s score slaagt er desalniettemin in het geheel samen te houden met typische grandeur, en zijn ruimtecues behoren tot het sterkste wat hij voor de reeks componeerde.
Het fundamentele probleem van Moonraker is dat de film zijn beste kaart meteen uitspelt – die adembenemende pre-creditsequentie – en vervolgens twee uur lang achteruit rijdt. Het is een film die meer geïnteresseerd was in het afvangen van het Star Wars-publiek dan in het bewaken van zijn eigen identiteit, en dat is precies wat hij ook werd: een dure (35 miljoen dollar), knappe, karakterloze kopie van een trend die al op zijn retour was voor de cameras waren uitgedraaid. Moonraker werd in 1979 de best verdienende Bond-film ooit met 210 miljoen dollar, iedereen besefte ook dat het voor de volgende Bond film anders moest. De film kwam op 15 september 2015 uit op 4k UHD.
Review Moonraker (1979)
Recensie door Dave op 5 februari 2022

Het begin van de film is inderdaad beter dan het tweede deel, het lijkt wel of de producers halverwege de film hadden ingegrepen en gevraagd voor meer humor. Het is spijtig, wat deze had potentieel.