The Spy Who Loved Me (1977) heeft misschien wel dé beste muziekscore van de gehele franchise gecomponeerd door Marvin Hamlisch. En was het niet omwille van een kleine SF-film genaamd Star Wars had de film misschien zijn Oscarnominatie kunnen verzilveren. De muziek is zo knap dat het elke scène optilt. Bij momenten denk je dat je naar Lawrence of Arabia (1962) aan het kijken bent. Meer nog: het is de film die aantoont dat Roger Moore niet gewoon de opvolger was van Sean Connery, maar een heel ander soort Bond bracht – eleganter, grappiger, en met een wenkbrauw die meer zegt dan de meeste monologen. Wat mij betreft is deze film ook de beste Roger Moore Bondfilm, ook al werd het geregisseerd door een hit-and-miss regisseur.
Korte inhoud: Als Britse en Sovjet-atoomonderzeeërs zonder spoor verdwijnen, worden agent James Bond (Roger Moore) en de KGB-majorin Anya Amasova (Barbara Bach) gedwongen samen te werken. Hun zoektocht leidt hen van de Egyptische woestijn tot de Middellandse Zee, waar de excentrieke miljardair Karl Stromberg (Curd Jürgens) zijn megalomane droom koestert: de mensheid vernietigen en opnieuw beginnen onder de oceaan. Tussendoor is er ook nog Jaws (Richard Kiel) – een twee meter tien lange huurmoordenaar met stalen tanden die een haast mythologische onoverwinnelijkheid uitstraalt.
De pre-creditsequentie vind ik al legendarisch. Bond verlaat een houten chalet ergens in de Oostenrijkse sneeuw – “James, I need you!” roept zijn bed-partner – waarop hij laconiek antwoordt: “So does England.” Wat volgt is een skijacht die uitmondt in een moord van een schurk en een sprong van een klif waarvan Bond gewoonweg afskiet, vrij valt door de leegte, en dan een parachute ontvouwt met de Union Jack. Het publiek in 1977 heeft dat ongetwijfeld met applaus ontvangen. Regisseur Lewis Gilbert wist precies hoe je een toon zet: dit was geen thriller, dit was een bewegend sprookje voor volwassenen dat zichzelf volledig bewust is van zijn eigen absurditeit – en daar net de kracht uit haalt.
Gilberts regie is iets wat te weinig geprezen wordt in de Bond-canon en net omdat hij zowel goede als echt slechte Bondfilms heeft afgeleverd. Maar waar zijn voorgangers de nadruk legden op dreiging of spanning, werkt hij met ritme en gevoel voor ruimte. De Egyptische scènes aan de piramides van Gizeh krijgen iets van een Italiaanse giallo – overdreven uitgelichte kleuren, bijna expressionistisch gecomponeerde beelden. Het interieur van Strombergs tanker is het grootste filmset ooit gebouwd in Europa op dat moment, ontworpen door productiearchitect en Bond-genie Ken Adam, en je voelt het gewicht van die ambitie in elke opname. Gilbert laat zijn acteurs nooit wegzinken in het decor; hij gebruikt het als een emotioneel landschap. In deze film zien we dat zijn vakmanschap eindelijk ook emotioneel een film kan dragen.
Roger Moore is hier op zijn absolute best. Hij heeft de rol op dit punt volledig geabsorbeerd en omgevormd tot iets wat hij volledig zijn eigen kon noemen. Zijn Bond is geen killer die toevallig charme heeft – het is charme als wapen, met geweld als laatste redmiddel. Die nuance komt prachtig tot uiting in de beroemde strandscène: Bond rijdt uit de golven in de Lotus Esprit, rolt het raampje neer, en gooit een vis buiten. Geen knipoog, geen grijns – gewoon een verheven wenkbrauw en verder rijden. Connery had misschien iemand omver gereden. Moore dropt een vis. Beide zijn echter perfect Bond.
Dan is er Barbara Bach als Majorin Anya Amasova, en hier doet de film iets opmerkelijks voor zijn tijd. Amasova is geen decorstuk. Ze is Bonds gelijke in tactiek, kennis en zelfbeheersing – ze somt zijn dossier uit het hoofd op, ze kent zijn drankje, ze weet van zijn dode vrouw. Dat laatste detail is een van de zeldzame momenten in de Moore-era waar de emotionele laag even doorbreekt. Bachs Russische accent is een schoonheidsfoutje, maar haar aanwezigheid is onmiskenbaar. Ze speelt Amasova met een koele autoriteit die het personage boven het cliché tilt. Het is dan ook des te frustrerender dat de film haar uiteindelijk toch niet volledig haar belofte laat inlossen – de dreiging dat ze Bond na de missie zal doden lost op als mist in de zon, ten gunste van een voorspelbare ontknoping. Een gemiste kans die de toon van de tijd weerspiegelt, niet van het scenario.
De eigenlijke revelatie van de film is Richard Kiel als Jaws. Als personage is hij een levende tekenfilm: 2,17 meter lang, stalen tanden, zwijgzaam als een steen en zo onoverwinnelijk dat hij uit een auto valt, uit een trein tuimelt en van een gebouw klettert – en telkens kalm rechtop staat en zijn colbert rechttrekt. Kiel speelt hem met een welbepaald komisch gevoel voor timing dat Jaws op de grens houdt tussen dreigend en grappig. Hij is de perfecte folie voor Moore: het brute stilzwijgen tegenover de suave redenering. Geen wonder dat hij de enige huurmoordenaar in de franchise werd die mocht terugkeren in Moonraker (1979).


© United Artists
Tegenover die twee staat Curd Jürgens als Stromberg, en dit is het grootste zwakke punt van de film. Niet omdat Jürgens slecht speelt – integendeel, hij speelt de man als een soort mijmerende dromer die zijn eigen waanzin volledig heeft genormaliseerd, en dat heeft iets fascinerends. Maar het script geeft hem te weinig te doen. Stromberg’s plan – kernraketten stelen, de wereld vernietigen, opnieuw beginnen onder water – is eigenlijk een directe kopie van Blofelds agenda in You Only Live Twice (1967), en de film steekt de handen niet uit om dat te verbergen. De productieachtergrond verklaart waarom: Kevin McClory bezat op dat moment de rechten op het Blofeld-personage en dreigde met rechtszaken bij de loutere vermelding van onderzeeërs. Stromberg is een Blofeld met andere kleren aan, en iedereen weet het.
Hamlisch brengt de Bond-formule de jaren zeventig in met discobeats en een waterig geluidspalet dat perfect aansluit bij het maritieme thema. Carly Simon’s “Nobody Does It Better” is dan weer een van de betere Bond-thema-songs ooit – een piano-ballade die romantiek boven dreiging plaatst, en daarmee precies de toon van het Moore-tijdperk samenvat. Het is geen toeval dat het de eerste Bond-song is met een andere titel dan de film zelf.
The Spy Who Loved Me was in 1977 ook commercieel gezien een reddingsboei voor de franchise. De voorganger, The Man with the Golden Gun (1974), had slecht gedraaid aan de kassa en producent Harry Saltzman was gedwongen zijn aandelen te verkopen na financiële problemen. United Artists was openhartig: nog een flop en de toekomst van Bond stond op het spel. De film werd een mondiale hit – destijds de best presterende film van United Artists – en bewees dat de formule nog steeds werkte, mits de juiste balans. Die balans vond Gilbert bijna moeiteloos. De film was gemaakt met 13 miljoen dollar en bracht maar liefst 185 miljoen dollar op.
Het is uiteindelijk die balans die The Spy Who Loved Me onderscheidt van bijna alles wat er in de Moore-era op volgde. De humor is present maar verslikt nooit de spanning. De actie is spectaculair maar niet van elke logica ontdaan. De romantiek tussen Bond en Amasova heeft een spanning die de meeste Bond-relaties missen, deels omdat het idee dat ze hem misschien echt zal doden iets toevoegt wat de gewone “Bond girl”-dynamiek niet kent. En de Lotus Esprit – die ook als duikboot fungeert – is gewoon één van de beste Bond-gadgets uit de hele reeks, zonder discussie. Wie twijfelt: het ding rijdt het water in en continueert gewoon de achtervolging onderwater. Respect! Niemand deed het inderdaad beter – en dat geldt voor de film evengoed als voor het lied. De film kwam uit op 4k UHD op 15 september 2015.
Review The Spy Who Loved Me (1977)
Recensie door Dave op 7 juni 2026

Het is één van de weinige James Bond films waar ik de muziekscore nog goed herinner. Zalige score, zowel de atmospherische als de actiescore
Ik herinner me de scenes in Egypte maar alles met de villain was toch zwaar over de top. Ik hield wel van de actie-scenes.
Jaws was nog een bedreiging in deze film, in tegenstelling tot wat ze met hem deden in Moonraker
De beste Roger Moore Bondfilm blijft voor mij For Your Eyes Only, deze komt als tweede