The Man with the Golden Gun (1974) had alle kaarten in handen om één van de sterkste Bond-film te zijn, maar er liep zoveel fout. Dermate scheef dat het fascinerende werd om te zien. Vijftig jaar later is de film er spijtig genoeg niet beter op geworden; te licht voor wie een serieuze spionagefilm verwacht, te bruusk voor wie alleen campy-007 wou. Ergens in dat niemandsland schuilt echter iets dat de meeste “betere” Bond-films missen: een villain die de held zijn spiegel voorhoudt.
Korte inhoud: MI6 ontvangt een gouden kogel gegraveerd met “007”. De vermeende afzender is Francisco Scaramanga ( Christopher Lee), ’s werelds duurste huurmoordenaar: een miljoen dollar per schot. James Bond ( Roger Moore) besluit de jacht te openen, terwijl hij tegelijkertijd een gestolen zonne-energieapparaat – de zogenaamde “Solex Agitator” – moet zien te recupereren. De zoektocht voert hem langs Beiroet, Hongkong, Macao en het tropische Thailand, waar hij uiteindelijk Scaramanga treft op diens privé-eiland voor een klassiek duel.
Het is een crimineel onderbenutte premisse. Zelden had de franchise zo’n veelbelovende antagonist in handen als de Christopher Lee-versie van Scaramanga – en dat is geen toeval. Lee was de neef van Ian Fleming, de enige acteur met een familieband met de auteur die ooit een schurk speelde. Dat levert een Scaramanga op die voelt alsof hij uit Flemings eigen geest is ontsproten: elegant, dodelijk, meedogenloos in zijn vakmanschap. Lee geeft hem een koele, aristocratische charme die Bond zelden naar buiten drijft. Wanneer de twee mannen aan tafel zitten op het eiland en de ethiek van het doden bespreken, is er even de vonk van iets dat de film werkelijk had kunnen zijn: een psychologisch duel tussen twee gelijken, een donkere spiegel voor 007. Scaramanga werd in een vroeg scenario door schrijver Tom Mankiewicz zelfs expliciet omschreven als Bonds alter ego. Dat idee werd grotendeels de prullenmand ingegooid, maar het blijft sluimeren in de beste scènes van de film.
Regisseur Guy Hamilton, die met Goldfinger (1964) en Live and Let Die (1973) al bewees dat hij de Bond-formule kon laten werken, worstelt hier zichtbaar met de toon. Zijn instinct is dat van een lichte komediemeester, en dat wringt wanneer het script hem naar donkerder terrein dwingt. De beruchte scène waarin Bond de arm van Scaramanga’s minnares Andrea Anders op haar rug draait en met geweld informatie afperst, is daar het beste voorbeeld van: een onaangenaam moment dat Moore zelf achteraf niet graag zag, en dat Hamilton nooit volledig in de hand lijkt te hebben. Het vreemde is dat het één van de sterkere scènes is – juist omdat het de fatsoenlijke gentleman-façade van de Moore-Bond openrijt en er iets kouds en berekend achter toont. Dat Scaramanga hem nadien zijn “broer in geest” noemt, klopt pijnlijk goed. Het deed me trouwens denken aan Skyfall (2012) waarin de villain Silva (Javier Bardem) zich ook identificeerde met Bond.
Maud Adams als de tragische Andrea doet het in dat opzicht verrassend goed: ze speelt een vrouw gevangen in een gewelddadige relatie met een subtiele complexiteit die haar overtreft. Haar einde – fluisterstil, midden in een drukke menigte – is misschien het meest memorabele moment van de film, juist omdat het zo achteloos voorbij glijdt. Helaas staat daar tegenover Britt Ekland als agent Mary Goodnight, die de franchise op haar ergst vertegenwoordigt. Goodnight is zo onbekwaam dat het moeilijk is haar nog als grappig te lezen; ze activeren een laserkanon met haar achterwerk is het soort grap waarbij je als kijker meer begrip hebt voor de slechteriken dan voor de schrijvers. Ekland zelf leed er zichtbaar onder. Maud Adams zou trouwens opnieuw opduiken in een James Bond film in de titelrol van Octopussy.
De dwergacteur Hervé Villechaize als Nick Nack verdient een eervolle vermelding. Hij is geen goedkoop komisch element maar een surrealistische aanwezigheid die de film zijn eigenaardigste textuur geeft. De dynamiek tussen hem en Scaramanga – Nick Nack huurt moordenaars in om zijn baas uit te schakelen, met diens volledige goedkeuring, want het houdt hem scherp – is één van de meest intrigerende henchman-constructies in de hele reeks. Villechaize gebruikte de rol als springplank na een periode van bittere armoede in L.A. De ironie dat een film zo vol mislukkingen hem de kans van zijn leven bood, past ergens bij het onverwachte lot van The Man with the Golden Gun zelf.
Cinematografisch verdient de film meer lof dan hij krijgt. Productieontwerper Peter Murton – die Ken Adam verving, die toen werkte aan Barry Lyndon (1975) – creëert zijn beste moment in het scheefstaande wrak van de RMS Queen Elizabeth in de haven van Hongkong, omgebouwd tot geheim MI6-hoofdkwartier. De kantelde sets echoën het funhouse-motief van de openingsscène en geven de hele film iets van een scheve spiegelzaal, wat thematisch gezien niet eens onverwacht treffend is en die later opnieuw zou opgepikt worden door de Bruce Lee film Enter the Dragon (1973). De buitenopnames in de Phang Nga-baai in Thailand – de karakteristieke rotsen die later bekend werden als “James Bond Island” – zijn werkelijk prachtig, al wordt het eiland intussen niet meer bezocht wegens decennialange vervuiling door toerisme. De cinematografie van Ted Moore en Oswald Morris vangt die exotische grandeur zonder er een ansichtkaart van te maken.
Dan is er de befaamde kurketrekkers-stunt. Een AMC Hornet (een automerk die niet meer bestaat) draaide 360 graden over een gebroken brug – berekend door computermodellen aan de Cornell University, uitgevoerd in één take door stuntman Bumps Williard terwijl acht camera’s tegelijk draaiden. Het is ronduit spectaculair. En dan klinkt er een fluitje. Componist John Barry heeft het achteraf zelf toegegeven: hij vond de stunt te absurd om serieus te nemen, en voegde het geluid toe als komisch commentaar. Een beslissing die hij later betreurde, en terecht – want het geluidje doet precies het tegenovergestelde van wat het bedoelt. In plaats van de absurditeit te erkennen, ondermijnt het wat één van de gevaarlijkste en meest inventieve stunts uit de hele franchise is. Dat ene fluitje vat de fundamentele kwaal van de film samen: een gebrek aan vertrouwen in het eigen materiaal, een neiging om het beste dat je hebt te ondermijnen met een onnodige knipoog.


© United Artists
De terugkeer van sheriff J.W. Pepper, de redneck uit Live and Let Die, onderstreept dat. Clifton James brult hetzelfde karakter opnieuw door de lens terwijl hij in Bangkok op vakantie is – want waarom ook niet – en houdt elke scène waarin hij verschijnt gegijzeld. Wat in Louisiana nog enige dramatische logica had, wordt hier een karikatuur die de Thaise setting reduceert tot decor voor een westerse grappenmaker – denigrerend en bovenal gewoon niet grappig. Hamilton heeft dat nadien zelf erkend, maar vele kopen we er niet mee.
The Man with the Golden Gun was bij release een teleurstelling qua box-office, en droeg bij tot het uiteenvallen van de samenwerking tussen producers Albert R. Broccoli en Harry Saltzman – het was de laatste film die ze samen produceerden. Saltzman verkocht zijn aandeel, en met hem verdween iets van de creatieve spanning die de vroege Bond-films hun scherpte gaf. Moore zou zijn definitieve versie van Bond pas vinden in The Spy Who Loved Me (1977), maar wie de zaak eerlijk bekijkt, ziet in deze film al de contouren van wat hij had kunnen zijn: een acteur die genuanceerder en onaangenamer speelt dan zijn reputatie suggereert, met een villain van het kaliber dat de franchise zelden meer heeft voortgebracht. Wat jammer dat het script, de regie en een akoestisch fluitje dat niet lieten uitschijnen.
The Man with the Golden Gun is geen goede film die naar buiten doet alsof hij goed is, maar een onvolmaakte film met het silhouet van een meesterwerk – en dat maakt hem, vreemd genoeg, moeilijker te vergeten dan veel van zijn volmaaktere metgezellen in de reeks. Op 15 september 2015 is de film uitgekomen op 4k UHD.
Review The Man with the Golden Gun (1974)
Recensie door Dave op 5 februari 2022

Ik vond de film nog wel meevallen. Moore blijft voor mij een waardige Bond die altijd wel waardige bondfilms af leverde. Dat kan ik bijvoorbeeld niet zeggen van Connery, Craig en Brosnan.