En zo belanden we in het tijdperk van Roger Moore te beginnen met Live and Let Die (1973). Een James Bond-avontuur dat beslist om op te duiken in het hart van de blaxploitatiegolf, met al haar pimp mobiles, voodoo en jive-talk – maar dan met een witte Brit in de hoofdrol die zijn martini’s heeft ingeruild voor bourbon. Het resultaat is zowel absurd als onweerstaanbaar, en dat is precies de charme.
Korte inhoud: Na de moord op drie MI6-agenten in New York, New Orleans en het Caraïbische eiland San Monique wordt James Bond op pad gestuurd om de dader te ontmaskeren. Het spoor leidt hem naar Harlem, waar mysterieuze misdaadbaas Mr. Big de touwtjes in handen lijkt te hebben, en vervolgens naar de corrupte diplomaat Dr. Kananga (Yaphet Kotto), die vanuit zijn fictieve eiland een heroïnemonopolie wil uitbouwen. Onderweg kruist Bond het pad van helderziende Solitaire (Jane Seymour), de angstaanjagende Baron Samedi (Geoffrey Holder) en de meest trefzekere henchman uit de hele reeks: de lachende, schaartje-gehande Tee-Hee (Julius Harris).
Het is de achtste Bond-film en de eerste met Roger Moore in de hoofdrol – een acteur die al meermaals was benaderd voor de rol, maar telkens bezet was met andere projecten. Moore was 45 bij de opnames, vijf jaar ouder dan Connery toen hij in Diamonds Are Forever (1971) speelde, en hij had precies die leeftijd die je doet denken: deze man gaat dit spelen op zijn eigen voorwaarden. Geen gespierde intimidatie, geen koelbloedige bruutheid. Moore koos voor de opgetrokken wenkbrauw, de droge kwinkslag, het gevoel dat hij zelf ook lichtjes verbaasd is over de situatie waarin hij zich bevindt. Het is een bewuste keuze geweest – Moore gaf zelf toe dat hij de Bond-wereld als te absurd beschouwde om ernstig te nemen, en speelde er dus ook mee. Of dat je bevalt, hangt af van wat je in een spionagefilm zoekt, maar het werkt hier verrassend goed.
Regisseur Guy Hamilton, die eerder al Goldfinger (1964) en Diamonds Are Forever (1971) regisseerde, heeft een scherp oog voor de mix van tonen. De openingsscène in New Orleans – waarbij een MI6-agent midden in een jazzfuneral wordt neergestoken en zijn lijk handig in de kist verdwijnt die toch al werd meegedragen – is ronduit één van de meest sfinxachtige en originele pre-titelsequenties uit de hele franchise. Hamilton was een jazzliefhebber en weigerde de scène op Mardi Gras te situeren, wat Thunderball (1965) al deed met zijn Caribisch straatfeest; in plaats daarvan liet hij de stad zelf spreken, met een koele, rituele sfeer die nooit meer helemaal wordt geëvenaard in de rest van de film.
Het scenario van Tom Mankiewicz loopt niet altijd even strak. Er zijn momenten waarop het plot kreunt onder het gewicht van zijn eigen concessies aan de tijdsgeest – de blaxploitatiesfeer is soms eerder een décor dan een echte thematische keuze. Kotto had dat zelf ook door: hij was niet blij met de stereotypen in het script en deed zijn best om Kananga een laagje realisme te geven die de tekst hem eigenlijk niet gaf. Dat lukt gedeeltelijk. Zijn dubbele rol – Mr. Big met zijn goedkoop uitziende prothesemaske én de sluwe Dr. Kananga – zit wat onwennig in elkaar, maar Kotto’s aanwezigheid is groot genoeg om het bij te houden. De scène waarin hij onthult wie hij echt is nadat Bond hem provoceert, is bijna Shakespeareaans van naïviteit: heb je niks geleerd van je voorgangers, man?
De echte openbaring is Geoffrey Holder als Baron Samedi, de mysterieuze voodoopriest die nooit echt sterft – of toch niet volledig – en de film een onverwacht horrorelement meegeeft. Holder choreografeerde zijn eigen ritueeldansen, en dat merk je: er zit iets theatraals en eigenaardig geloofwaardigs in zijn vertolking. Hamilton, Broccoli en Saltzman reisden naar Haïti om voodoorituelen van nabij te bestuderen, maar kozen uiteindelijk voor Jamaica wegens politieke onrust. Een beslissing die de film onverwacht een iconische scène opleverde: die van Bond die over de ruggen van krokodillen hopt op een echte krokodillenboerderij in Montego Bay, beheerd door de echte Ross Kananga – naar wie de schurk vernoemd werd. Stuntman Kananga viel vijf keer, liep honderden hechtingen op en leerde de beesten zijn sprongen anticiperen. Je ziet het bijna op het scherm.
De beroemde speedbootachtervolging door de bayou’s van Louisiana is een monument van stunt cinema die niet moet onderdoen voor de achtervolgingen in The French Connection(1971), goed voor een Guinness-record met een sprong van 33,5 meter. Zeventien van de 26 speciaal gebouwde boten werden vernield tijdens de opnames. Het is overdadig, absurd lang, en toch word je er niet moe van – behalve misschien van Sheriff J.W. Pepper (Clifton James), de racistische sheriff die te lang in beeld blijft en de schurken naar de achtergrond verdringt. James speelt de rol piekfijn, maar de figuur zelf is een karikatuur die je zowel moet ondergaan als tolereren.


© United Artists
Jane Seymour als Solitaire is hypnotiserend aanwezig, maar haar personage is slecht geschreven: een maagd die haar helderziendheid verliest zodra Bond zijn truukje met de vervalste tarotkaarten uithaalt – niet bepaald zijn nobelste moment. Haar transformatie van mystica naar verliefd meisje voelt geforceerd, en de film laat haar daarna min of meer de revue passeren. Gloria Hendry als CIA-agente Rosie Carver is dan weer zo ongeloofwaardig incompetent dat het pijn doet, ook al vertegenwoordigde haar rol een mijlpaal als eerste zwarte Bond-girl. Het script liet haar gewoon in de steek.
De muzikale keuzes compenseren een deel van de zwakheden. John Barry moest plaatsmaken voor Beatles-producer George Martin, wiens score de blaxploitatiestemming opvangt zonder de Bond-essentie te verliezen. En dan het titelnummer: Paul McCartney en Wings leverden met “Live and Let Die” de eerste Bond-song die genomineerd werd voor een Oscar, en terecht. Het is een explosief stuk muziek dat de toon van de nieuwe era meteen zet – niet de sensuele Bassey-ballade, maar iets wat klonk alsof de jaren zeventig zelf een vuist door de muur sloegen.
Live and Let Die is verre van perfect. Het heeft een schurk wiens plan eigenlijk nogal kleinschalig is voor Bond-begrippen, een te lange achtervolging, en een paar personages die de film meer schaden dan verrijken. Maar het heeft ook een opening die na vijftig jaar nog altijd bijblijft, henchmen die iconisch zijn geworden, stuntwerk dat je adem inhoudt, en een nieuwe 007 die met de charme van een elegante Brit die precies weet dat hij de raarste baan ter wereld heeft, terwijl hij rustig zijn lange sigaar aansteekt. De film kwam uit op 15 september 2015 op 4k UHD.
Review Live and Let Die (1973)
Recensie door Dave op 5 juni 2026

Moet wel gezegd worden, deze had dé beste titelsong van alle Bondfilms