Zeven jaar. Zo lang heeft het geduurd voor Star Wars opnieuw in een bioscoop belandde. Zeven jaar na het chaotische, met zichzelf in tegenspraak zijnde Star Wars: The Rise of Skywalker (2019) – en de franchise verhuisde naar het kleine scherm, met wisselend succes. Sommige series waren uitstekend, anderen waren nauwelijks het bekijken waard of gewoon rotslecht (cf. Obi-Wan Kenobi). Maar de terugkeer naar het witte doek, dat zou toch iets moeten zijn. Iets groots. Iets onvermijdelijks. Wat we krijgen is Star Wars: The Mandalorian and Grogu (2026): een film die aanvoelt als een zeer dure aflevering van een reeks die je al een tijdje niet meer hebt gevolgd. De galaxy is ver weg, de spanning ook.
Korte inhoud: Het boze Keizerrijk is gevallen, maar keizerlijke overblijfselen terroriseren nog altijd de verre uithoeken van de sterrenstelsels. Bounty hunter Din Djarin – alias de Mandalorian – werkt nu als “onafhankelijk aannemer” voor de Nieuwe Republiek en krijgt van kolonel Ward de opdracht een voortvluchtige imperiale oorlogsmisdadiger op te sporen. Om die te kunnen vinden, moet hij eerst Rotta the Hutt – de gespierde en onverwacht gevoelige zoon van de befaamde Jabba – bevrijden uit gevangenschap, in ruil voor informatie. Zijn kleine groene metgezel Grogu is er uiteraard ook bij.
Regisseur en scenarioschrijver Jon Favreau – de man die de franchise in 2019 met “The Mandalorian” een stevige nieuwe richting gaf – lijkt voor dit grote scherm-avontuur zijn televisiebrein thuis te hebben gelaten. De mise-en-scène is correct maar zelden opwindend: actiesequenties die netjes volgen op elkaar, establishing shots van bizarre werelden die nauwelijks de moeite nemen om te verwonderen, en overgangsscènes die keurig ademhalen op plaatsen waar een cliffhanger had moeten zitten. Ik geef toe, de IMAX-opnamen voegen af en toe schaal toe (AT-AT walkers zijn inderdaad imposanter als ze het hele kader vullen) maar de visuele rijkdom van de beste Star Wars-films, die gevoel van een universum dat buiten het beeld doorleeft, is hier grotendeels afwezig. Favreau toont wat hij moet tonen; je wacht vergeefs op het moment waarop hij meer toont dan dat.
Het verhaal rust op twee pijlers die elk op hun eigen manier wankelen. De eerste is de Mandalorian zelf, lichamelijk gespeeld door Brendan Wayne en stuntman Lateef Crowder, maar met de stem van Pedro Pascal. Pascal is een charismatisch acteur van de buitengewone soort. Ja, zijn gezicht verkoopt emoties als geen ander. Maar hier zit hij opgesloten in een metalen helm en beperkt tot monotone zinnen die geacht worden stoïcijns te klinken maar eerder leeg aanvoelen. Dit is tevens de reden waarom de meeste helden in het Marvel universum hun integrale maskers hebben laten vallen nadat de Goblin-villain in de eerste Sam Raimi Spider-Man film toch zwaar teleustellend was. Iron Man, geregisseerd door Favreau, maakte trouwens vaak gebruik van een beeld achter de masker van Tony Stark. We hebben op z’n minst ‘ogen’ nodig om emoties weer te geven. Zonder gezicht en met gedubde dialoog die elke zin plat walst, is Mando meer een bewegend kostuum dan een personage. Dat kan werken voor een tv-serie, maar op het witte doek valt zoiets tegen. De tweede pijler is Rotta the Hutt, ingesproken door Jeremy Allen White. Wie White kent van “The Bear” (2022) – zijn zenuwslopende, ingehouden spel als chef Carmy Berzatto – zal hier verbijsterd toekijken. Zijn stem is zo sterk bewerkt dat hij onherkenbaar is, zijn karakterisering beperkt zich tot een spierballige Hutt die klacht na klacht uit over zijn vader. Er is een nieuwsgierig concept aanwezig: een Hutt die z’n misdaaderfenis wil achter zich laten. Maar de film is er nauwelijks in geïnteresseerd, en White evenmin – of misschien de regisseur niet. De casting voelt als een marketingbeslissing die per ongeluk de productievloer bereikte.
Intussen staat Sigourney Weaver als kolonel Ward met een X-wing-pilotenpak aan en een uitdrukking op haar gezicht die zegt: “Ik weet ook niet goed waarom ik hier ben.” Weaver speelt in wezen een soort edelfiguratie: ze geeft Mando zijn opdracht, becommentarieert zijn werk als “slordig, erg slordig”, en verdwijnt dan weer achter de coulissen. Dat de makers Weaver (icoon van de sciencefiction, veteraan van Alien, Galaxy Quest en Avatar) nauwelijks benutten, grenst aan filmisch wanbeleid. Als er ergens een gemiste kans is die pijn doet, dan is het deze.
Toch is The Mandalorian and Grogu niet in elk opzicht een mislukking, en dat heeft vrijwel alles te maken met Grogu zelf. De praktische poppenmakerij rond het kleine groene wezentje is van het niveau van dé SF-film van het haar en dat is Project Hail Mary (2026). Zijn subtiele expressiviteit – een twijfelende blik, een eigenwijze kopstandjes-poging, een moment van stille tederheid – geeft de film zijn emotionele kern. Er is een bijna woordeloze sequentie van een tiental minuten waarin Grogu alleen op een vreemde planeet rondzwerft, en die ogenblikken met Grogu overstijgen alles wat de rest van de film probeert te bereiken. Het is de soort pure, visuele verhaalskunst die Hollywood zelden nog durft. Dat het de enige scène is die echt cinematisch aanvoelt in een film met een IMAX-budget, zegt genoeg. Ook de stopmotion-reuzen van het legendarische Tippett Studios – een directe verwijzing naar de praktische effecten van de originele trilogie – geven de climax een tastbare, echte dreiging die het CGI-geweld daarvoor mist.
De score van Ludwig Göransson verdient een eervolle vermelding. Zijn compositie voor de televisieserie was al bijzonder met zijn onmiddellijk herkenbare, naar Ennio Morricone neigende westernthema’s; en hier breidt hij zijn palet uit met jaren-tachtig synthklanken en elektronica die de straatscènes een onverwachte Blade Runner (1982)-sfeer meegeven. Göransson is een componist die het universum beleeft, niet alleen illustreert. Dat zijn werk hier consistent interessanter is dan de beelden erboven, is misschien geen compliment voor de rest van de productie. Göransson vertelde ooit dat het net Star Wars-muziek was die hem als tiener deed doorstromen naar klassieke muziek. Nu schrijft hij de muziek voor het universum dat hem dat gaf – een mooi cirkeltje, al is de film zelf geen cirkel maar een rechte lijn van set piece naar set piece. En dan is er nog Martin Scorsese, die de stem inspreekt van een een vierhandige snackverkoper. Dat is het soort casting dat enkel grappig is in de openingsaftiteling; en daar houdt het ook op.
Het fundamentele probleem van The Mandalorian and Grogu is niet dat het een slechte film is; het is dat het een onbeduidende film is. Aan het einde zijn de personages precies wie ze waren aan het begin. Er is niets veranderd, niets gewonnen of verloren, geen verhouding verdiept of getest. De film zal zonder wrijving tussen seizoen drie en een eventueel seizoen vier van de reeks kunnen worden ingepast – wat tegelijk zijn grootste commerciële troef en zijn artistieke veroordeling is. George Lucas hield altijd vol dat Star Wars kinderfilms zijn, en op die beperkte ambitie slaagt The Mandalorian and Grogu redelijk. Maar kinderen verdienen ook echte verhalen. Ze verdienen verwondering. Ze verdienen meer dan een peperdure mascotte die van planeet naar planeet springt zonder ooit echt ergens aan te komen. Zeven jaar wachten op een nieuw Star Wars-avontuur op het witte doek – en het enige wat echt blijft hangen, is een klein groen wezentje zonder één woord te zeggen. Het is misschien de eerlijkste samenvatting van de film: Grogu doet meer met zijn ogen dicht dan de rest van de cast met alle dialoog ter beschikking. Baby Yoda redt bepaalde scenes, maar spijtig genoeg niet de film. Deze loopt op 20 mei 2026 in de bioscoop.
Review The Mandalorian and Grogu (2026)
Recensie door Alexander op 20 mei 2026

Dat was al lang duidelijk. Maar deze film viel nog onder het vorige (Kathleen Kennedy) bewind, niet. Ik ben hoopvol voor de toekomst.