“The ‘Burbs” (2026), de nieuwe reeks van Peacock, is precies zo’n geval waarin een bekend IP wordt gerecycleerd zonder dat er echt een vraag naar was. Gebaseerd op de cultfilm uit 1989 van Joe Dante; waarin Tom Hanks nog echt grappig mocht zijn in plaats van wijze levenslessen te verkopen, krijgt het verhaal nu een opfrisbeurt van showrunner Celeste Hughey, bekend van “Dead to Me” en “Palm Royale”. Het resultaat? Een reeks die alle goede bedoelingen heeft, maar uiteindelijk toch blijft hangen tussen ambitie en uitvoering, en vooral veel soap levert in plaats van satire.
Korte inhoud: De premisse is eenvoudig: Samira en Rob Fisher, gespeeld door Keke Palmer en Jack Whitehall, verhuizen met hun pasgeboren baby naar Robs jeugdhuis in het ogenschijnlijk idyllische Hinkley Hills, “de veiligste stad van Amerika”. Maar zoals je mag verwachten van elke Amerikaanse buitenwijk die zich op de borst klopt over zijn veiligheid: er klopt natuurlijk geen zak van. Wanneer de mysterieuze Gary (gespeeld door Justin Kirk) zijn intrek neemt in het vervallen huis aan de overkant, begint Samira te graven in oude mysteries, met name de verdwijning van een tienermeisje twintig jaar eerder. Wat volgt is een wirwar van paranoia, burenruzies en geheimen die langzaam naar de oppervlakte borrelen.


Hughey verdient lof voor haar poging om de originele film niet klakkeloos te kopiëren, maar naar een hedendaags perspectief te tillen. Waar Hanks in 1989 de gevestigde bewoner was die argwanend naar de nieuwe buren keek, draait de reeks het om: Samira en Rob zijn nu zélf de nieuwkomers, wat meteen een compleet andere dynamiek creëert. Hughey gebruikt dit slim om thema’s als uitsluiting, rassenongelijkheid en het zoeken naar gemeenschap te verkennen. Samira is niet alleen een buitenstaander omdat ze uit de grote stad komt, maar ook omdat ze een zwarte vrouw is in een overwegend wit, welgesteld voorstadje. De reeks maakt daar geen geheim van en laat zien hoe ze systematisch botst met de microagressies en de ongemakkelijke vriendelijkheid van haar nieuwe buren. “It’s giving Get Out,” merkt Samira op, en dat is geen grap; de reeks speelt bewust met die vergelijking.
Maar hier begint ook het probleem. Want hoewel de reeks pretendeert diepgravende sociale commentaar te leveren, blijft ze vaak hangen in oppervlakkigheid. De thema’s worden wel aangesneden, maar nooit echt tot in de kern uitgediept. In plaats daarvan krijgen we een mengelmoes van tonen: de ene scène is het een scherpe satire op suburbia, de volgende een generieke mysterie, en dan weer een halfslachtige horror-comedy. Regisseur Nzingha Stewart probeert deze verschillende registers te managen in de pilotaflevering, maar het resultaat is rommelig. Je weet nooit precies wat je moet voelen: moet je lachen, moet je griezelen, of moet je geraakt worden door de sociale boodschap? De reeks lijkt zelf ook de weg kwijt te zijn. Wat de zaak overeind houdt, is Palmer zelf. Ze is werkelijk het lichtpunt van de reeks, een actrice die moeiteloos kan schakelen tussen kwetsbaarheid en humor, tussen scherpe observatie en oprechte emotie. Haar chemie met Whitehall is onverwacht goed. Ze spelen een stel dat duidelijk nog in de wittebroodsweken zit, waarbij je gelooft dat ze écht gek op elkaar zijn. Maar Palmer schittert nog meer in haar scènes met RJ Cyler, die haar broer Langston speelt. Cyler verschijnt slechts sporadisch via FaceTime-gesprekken vanuit de stad, maar elke scène met hem voelt als een frisse windvlaag. De twee hebben een natuurlijke, warme dynamiek die je doet wensen dat Langston gewoon fulltime deel uitmaakte van de cast. Het is een gemiste kans dat hij zo weinig schermtijd krijgt.
De rest van de cast is een gemengd gezelschap van comedy-veteranen die doen wat ze kunnen met wat ze krijgen. Julia Duffy als de pas weduwe geworden Lynn, Paula Pell als de ex-marinier Dana, en Mark Proksch als de nerdige Tod vormen een kleurrijk trio dat regelmatig bij Lynn op de veranda verzamelt voor wijn en roddels. Ze hebben goede momenten. Pells omschrijving van Tod als “adult Charlie Brown” is goud, maar de karakters blijven te lang één-dimensionale verzamelingen van trekjes. Pas halverwege de acht afleveringen, wanneer eindelijk duidelijk wordt wie te vertrouwen is en wie niet, beginnen de personages wat meer diepgang te krijgen. Maar tegen die tijd heeft de reeks al flink wat goodwill verspeeld.
Een groot probleem is het tempo. Waar de originele film van Dante in negentig minuten een strakke, compacte paranoia-komedie wist te zijn, neemt de reeks alle tijd om zich te verliezen in zijpaden en langdradigheid. De mysteries zijn niet bepaald meeslepend; eerder “interessant dat ze daarvoor kozen” dan echt spannend. En voor een reeks die beweert de duistere geheimen van een buitenwijk bloot te leggen, zijn de onthullingen teleurstellend voorspelbaar. De logica kraakt regelmatig, vragen blijven onbeantwoord, en het einde voelt haastig en onbevredigend aan. Het lijkt erop dat Hughey en haar schrijversteam precies wisten wat ze wilden zeggen, maar niet helemaal wisten hoe ze dat in acht afleveringen moesten gieten.
Toch is er iets charmants aan “The ‘Burbs”, ondanks alle tekortkomingen. Het is misschien geen meesterwerk, maar het is ook geen ramp. Er zijn momenten van oprechte humor, scènes waarin de cast echt schittert, en een paar gelaagde observaties over wat het betekent om ergens nieuw te zijn, om te zoeken naar veiligheid en gemeenschap in een wereld die steeds volatieler voelt. Het is een reeks die het hart op de goede plaats heeft, maar die worstelt met het vinden van de juiste balans tussen entertainment en maatschappelijke relevantie. En misschien is dat ook wel de kern van het probleem: in een tijd waarin alles een Statement moet zijn, vergeten makers soms dat het prima is om gewoon een leuke, spannende reeks te maken zonder de pretentie van diepere betekenis. Wat opvalt, is hoe verschillend de reeks is van de originele film. Dante’s The ‘Burbs (1989) was een PG-geclassificeerde komedie met een scherpe tong, maar zonder al te veel randje. De nieuwe versie daarentegen barst van de vloeken en grimmigere tonen; genoeg om een R-rating te verdienen als het een film zou zijn. Dat is op zich geen probleem, maar het voelt soms alsof de makers denken dat alleen het toevoegen van grof taalgebruik en donkerdere thema’s de reeks automatisch “volwassen” maakt. Volwassen entertainment draait echter om nuance, om subtiliteit, om karakters die je echt raken. En daar hapert het nog wel eens.
Uiteindelijk is “The ‘Burbs” een reeks die je niet zal doen wegrennen van je scherm, maar ook niet zal inspireren om er meteen een tweede seizoen van te bingewatchen. Het is aangenaam tijdverdrijf, een reeks die je best kunt kijken terwijl je iets anders doet, maar die geen blijvende indruk achterlaat. Palmer maakt het de moeite waard, en er zijn genoeg momenten waarin je ziet wat de reeks had kunnen zijn als alle elementen beter op elkaar hadden afgestemd. Maar uiteindelijk is het een reboot waar niemand om vroeg gezoen het origineel is wat het is en vrijwel onvervangbaar is. Vanaf morgen is de serie te zien op Peacock.
Heeft nog maar weinig te maken met de film qua look and feel